RDA Tweejarige educatieve master

Binnen de tweejarige educatieve master combineer je het masterjaar van je eigen faculteit met een opleiding tot academisch docent met een eerstegraads lesbevoegdheid. In het eerste jaar doorloop je twee begeleide stages en in het tweede jaar twee zelfstandige stages, op dezelfde vo-school.

Kennismakingsgesprek
Het kennismakingsgesprek is belangrijk om een goede start te maken op je stageschool. Ruim voor de start van je stage ontvang je via de Radboud Docenten Academie de gegevens van de school. Vervolgens neem je zelf contact op om een kennismakingsgesprek te plannen. Tijdens dit gesprek ontmoet je jouw begeleider(s) en ontdek je hoe er op school gewerkt wordt. Daarnaast krijg je meer informatie over praktische zaken.

De bedoeling van het gesprek is een natuurlijke kennismaking. Daarnaast vinden we vanuit Passie voor Leren deze onderwerpen belangrijk om aan bod te laten komen.

  • Start je in september? Plan het kennismakingsgesprek in juni of juli.
  • Start je in februari? Plan het kennismakingsgesprek in december of januari.

Voorbereiding
Als voorbereiding op het kennismakingsgesprek denk je na over wie jij bent als student, en welke ondersteuningsbehoefte je hebt. Dat doe je aan de hand van een aantal thema’s. Door deze lijst in te vullen, help je jouw begeleider een beeld te vormen van wat jij nodig hebt als lerende. Niks is goed of fout, en misschien verandert je ondersteuningsbehoefte nog de komende tijd. Zie de lijst als een uitgangspunt om passende begeleiding op te starten.

Heb je de lijst ingevuld? Deel deze dan met je werkplekbegeleider en de schoolopleider. Ga vervolgens het gesprek aan, en bespreek de volgende vragen:

  • Wat zijn de belangrijkste drie aandachtspunten voor mij?
  • Wat zegt dit over mij als lerende?
  • Wat vraagt dit van mijn begeleider?
  • Hoe zou begeleiding eruitzien?
  • Hoe maak ik mijn behoefte in begeleiding kenbaar? En aan wie?

Oriëntatiefase
Als je start op je stageschool, begin je met de oriëntatiefase. Tot aan het startgesprek in week 2 of 3 oriënteer je je op wat de stageschool te bieden heeft. Daarbij stel je je proactief en onderzoekend op. Je beantwoordt vragen als:

  • Wat is de visie van de school?
  • Hoe herken je de visie van de school in de dagelijkse lespraktijk?
  • Hoe ziet de doelgroep eruit?
  • Hoe vindt er samenwerking plaats tussen collega’s?
  • Hoe ziet de organisatiestructuur eruit?

In principe loop je twee jaar stage op dezelfde stageschool. Stap je toch over? Dan start je op je nieuwe stageschool opnieuw met een (iets minder uitgebreide) oriëntatiefase.

Activiteiten
Om de vragen tijdens de oriëntatiefase te beantwoorden kun je verschillende activiteiten ondernemen. Overleg met je werkplekbegeleider wat mogelijk is, maar neem vooral ook zelf initiatief. Voorbeelden van activiteiten:

  • Een dag meelopen met een docent.
  • Een dag meelopen met een klas.
  • Een gesprek voeren met een collega.
  • Vergaderingen bijwonen.
  • Het PTA en/of het team-, zorg- en schoolplan bestuderen.
  • Met medestudenten van je opleiding overleggen.

Startgesprek
In week 2 of 3 van je begeleide stage en je zelfstandige stage voer je een startgesprek: een gesprek tussen jou, je werkplekbegeleider en iemand van het opleidingsinstituut en/of de schoolopleider. Het doel? Beelden uitwisselen over jouw leerroute en het afstemmen van persoonlijke leerdoelen en bijbehorende leeractiviteiten. Je geeft antwoord op vragen als:

  • Wie ben ik?
  • Waar werk ik naartoe?
  • Welke stappen moet ik zetten om daar te komen?
  • Wat voor type docent wil ik worden?

Hierbij omschrijf je de leerdoelen bij de eerste stappen in je ontwikkeling als docent zo concreet mogelijk. Het startgesprek duurt ongeveer 45 minuten, waarin je samen op een natuurlijke manier vijf verschillende fases doorloopt.

Voorbereiding
Als voorbereiding maak je een presentatie van 5 tot 10 minuten. In deze presentatie maak je visueel drie zaken inzichtelijk:

  1. Een beeld van jou als persoon.
    • Wat maakt jou als persoon bijzonder?
    • Wat zijn jouw kernkwaliteiten.
    • Wat zijn jouw valkuilen?
  1. Jouw blik op het beroep van docent.
    • Wat is volgens jou de taak van een docent, gekoppeld aan de kernpraktijken?
    • Waarom wil jij docent worden?
  1. De opbrengsten van jouw oriëntatie.
    • Wat heb je gezien tijdens de oriëntatie wat je nieuwsgierig maakt?
    • Waar wil je je nog meer in verdiepen?

Vervolg
Na het startgesprek schrijf je een kort gespreksverslag, dat je in jouw stagedossier plaatst. Hierin beschrijf je:

  • wat je meeneemt uit het gesprek;
  • welke afspraken er zijn gemaakt over de begeleiding;
  • aan welke persoonlijke leerdoelen je gaat werken op korte en lange termijn, gekoppeld aan de verschillende kernpraktijken.

De weken erna ga je tijdens je stage met de leerdoelen en beroepsproducten aan de slag. In begeleidingsgesprekken bespreek je je groei. Samen met je werkplekbegeleider stel je je doelen bij en bepaal je nieuwe

 

Werkplekbegeleider
Op je stageschool word je gekoppeld aan een werkplekbegeleider (wpb). Hij of zij maakt je wegwijs in de school en ondersteunt je bij je persoonlijke doelen. Elke week bespreken jullie jouw handelen in een individueel coachgesprek, aan de hand van feedup, feedback en feedforward. Daarnaast stimuleert je werkplekbegeleider jouw onderzoekende houding, bijvoorbeeld door kritische vragen te stellen over jouw beroepsproduct. In overleg met je wpb kun je een aantal begeleidingsinstrumenten inzetten: opdrachten die je helpen om je ontwikkeling binnen de kernpraktijken op de werkplek vorm te geven.

Opdracht bij kernpraktijk 1, 2 en 3 (vakdidactisch specialist)
Opdracht over het voorbereiden en evalueren van lessen
Opdracht ‘Een doelsysteem van een docent’

Opdrachten bij kernpraktijk 4 en 5 (pedagoog)
Wordt aangevuld.

Opdrachten bij kernpraktijk 6 en 7 (professional)
Opdracht ‘De schoolvisie en ik’

Overkoepelende opdrachten (over regie, visie en onderzoekend handelen)

Tijdens het begeleide deel van je stage is je werkplekbegeleider of een andere collega altijd aanwezig in de les. Het is niet de bedoeling dat je alleen voor de klas staat. Wel gebruiken we het principe leraar op loopafstand (LOLA), waarbij de docent bewust momenten van de les mist om student- en leerlingreacties te ontlokken.

Schoolopleider
Met schoolgerelateerde vragen of zaken waarmee je werkplekbegeleider je niet kan helpen, kun je terecht bij de schoolopleider (so). Die is ook de tweede beoordelaar van jouw stage, en komt daarom af en toe bij je langs in de les. Neem vooral zelf initiatief om je schoolopleider uit te nodigen voor een lesbezoek.

Onderzoeksbegeleider
Tijdens je zelfstandige stage krijg je een onderzoeksbegeleider toegewezen op je stageschool. Die heeft de rol van critical friend en samen bespreken jullie het tussenproduct en de beroepsproducten van de cursus ‘Onderzoek in de onderwijspraktijk’. Daarnaast helpt je onderzoeksbegeleider jou wegwijs te worden in de organisatie als het gaat om onderzoek doen. Welke belang heeft onderzoek binnen jouw school? Hoe combineer je wetenschap met de lespraktijk? En: wat is jouw rol daarin?

Instituutsopleider
De instituutsopleider (io) is het eerste aanspreekpunt tijdens je stage, als je vragen of problemen tegenkomt die te maken hebben met je opleiding. Daarnaast is de instituutsopleider betrokken bij het startgesprek, je stageplan en de beoordelingen. Hij of zij komt tijdens je begeleide stage op je stageschool langs, voor een ontwikkelgericht lesbezoek. Net zoals de vakdidacticus van je opleiding dat doet met hetzelfde doel, maar dan tijdens je zelfstandige stage.

Feedup, feedback en feedforward
Begeleiders en opleiders helpen studenten om de juiste vragen te stellen en tot antwoorden te komen over hun eigen ontwikkeling. Studenten selecteren zelf tijdens integrale beoordelingsmomenten de informatie waar ze trots op zijn en presenteren deze aan de beoordelaars. Tijdens al deze momenten krijgen zij feedup, feedback en feedforward.

  • Feedup richt zich op de vraag: waar werk ik naartoe? Feedup refereert daarmee aan de verwachte te leveren prestatie.
  • Feedback richt zich op de vraag: hoe doe ik het tot nu toe? Feedback heeft betrekking op alle opmerkingen die te maken hebben met de tot dan toe geleverde prestatie.
  • Feedforward richt zich op de vraag: hoe nu verder? Feedforward geeft aan dat de student voor toekomstige prestaties aandacht dient te besteden aan bepaalde ontwikkelpunten.

Lesbezoeken
Tijdens je stage bezoeken naast je werkplekbegeleider óók je schoolopleider, de instituutsopleider en de vakdidacticus van je opleiding een les. Dit zijn géén beoordelingsmomenten, maar kansen om feedback te krijgen op je leerdoelen. Je neemt zelf actief contact op met je opleiders om deze momenten te organiseren. De richtlijnen voor de planning zijn als volgt:

  • Je schoolopleider bezoekt een les tijdens begeleide stage 1, begeleide stage 2, zelfstandige stage 1 en zelfstandige stage 2.
  • Je instituutsopleider bezoekt een les tijdens begeleide stage 2 .
  • Je vakdidacticus bezoekt een les tijdens zelfstandige stage 1 of aan het begin van zelfstandige stage 2.

Voorbereiding
Je bent zelf verantwoordelijk voor het organiseren van lesbezoeken. Plan samen met je opleiders een les om te observeren én een moment voor een nagesprek van 45 tot 60 minuten. Het nagesprek voer je in principe met drie personen: jijzelf, je opleider en je werkplekbegeleider.

Uiterlijk drie werkdagen voor het lesbezoek stuur jij je lesvoorbereiding (FOEO A t/m C) naar je opleider en je werkplekbegeleider. Daarnaast geef je aan wat jouw huidige leerdoelen zijn en waar de observanten volgens jou het beste op kunnen letten.

Vervolg
Na het nagesprek verwerk je jouw inzichten in een gespreksverslag. Daarin beschrijf je jouw momenten van trots en je ontwikkelpunten. Om je op weg te helpen hebben we een format ontwikkeld dat je kunt inzetten. Het gespreksverslag plaats je in je stagedossier.

 

Stand-van-zakengesprek
Omdat elke stageperiode binnen de tweejarige master ongeveer vijf maanden duurt, krijg je de kans om tussentijds de balans op te maken. Dat doe je in een stand-van-zakengesprek met je werkplekbegeleider. Dit gesprek is dialogisch, ontwikkelgericht en dus niet bedoeld als beoordeling. Je werkplekbegeleider en jij spreken wederzijdse verwachtingen uit over jouw leerproces en ontwikkeling, blikken terug en vooruit en bespreken en evalueren de begeleiding en de school als leeromgeving.

Voorbereiding
Jij neemt zelf actief de regie in het plannen van de stand-van-zakengesprekken, ongeveer halverwege een stageperiode. Als voorbereiding maak je een agenda. Daarop zet je onderwerpen die je wil bespreken, zoals de manier van begeleiding en je beroepsproducten. Ook neem je de onderdelen van het beoordelingsformulier van de Radboud Universiteit mee. Dit om beelden uit te wisselen bij de beoordelingscriteria en te bepalen waar je staat in je ontwikkeling. Kies voor het stagebeoordelingsformulier of de single point rubric die hoort bij jouw stagetype.

Vervolg
Na het stand-van-zakengesprek schrijf je een (kort) gespreksverslag, dat je opneemt in je stagedossier. Geef hierin aan:

  • welke inzichten je meeneemt uit het gesprek;
  • welke afspraken er zijn gemaakt over de begeleiding;
  • aan welke kernpraktijken je gaat werken en welke rol de beroepsproducten daarbij spelen.

Samen leren
Wij vinden het belangrijk dat jij echt onderdeel bent van het team en de sectie op je stageschool. Door lessen van anderen bij te wonen, te overleggen met collega’s en hen om input en feedback te vragen ontwikkel je jezelf, je professionele identiteit en je visie op onderwijs. En voel je je al snel als volwaardige collega thuis op je stageplek. Samen met je werkplekbegeleider bespreek je welke stappen je hierin gaat zetten. 

Onderzoeksworkshops en peerfeedback
Tijdens de tweejarige educatieve master organiseren we workshops over onderzoek op de verschillende stagescholen, omdat we onderzoek doen zien als een gezamenlijke activiteit. Naast deze workshops stimuleren we uitwisseling en peerfeedback tussen studenten van verschillende opleidingen en instituten, zoals de HAN. Samen met de onderzoeksbegeleider of onderzoekscoördinator kijk je wat voor jou passende momenten en manieren zijn om samen te leren.

Stagedossier
Tijdens je opleiding werk je aan een stagedossier. Dit bestaat uit een verzameling producten die horen bij bepaalde momenten in je ontwikkeling tot startbekwaam leraar. Het stagedossier plaats je op Brightspace als ‘presentation’. Je deelt het met je werkplekbegeleider, schoolopleider, instituutsopleider en eventuele andere betrokkenen. Zij kunnen feedback geven op de verschillende producten.

Onderdelen stagedossier
In je stagedossier verwerk je een aantal evaluatie- en reflectiemomenten. Hierbij maak je een expliciete koppeling met de kernpraktijken en geef je aan welke rol de beroepsproducten hebben.

  • Over deze momenten tijdens je begeleide stage neem je iets op in je stagedossier.
  • Over deze momenten tijdens je zelfstandige stage neem je iets op in je stagedossier.

Waarom een stagedossier?
Binnen Passie voor Leren vinden we het belangrijk dat studenten zelfsturing ontwikkelen. Het beroep van leraar verandert continu, waardoor ook van toekomstige docenten gevraagd wordt voorbereid te zijn op een leven lang leren. Om blijvend en betekenisvol aan bekwaamheden te werken, is het belangrijk dat studenten herkent wat zinvolle informatie is over de kwaliteit van hun werk en hun eigen ontwikkeling. Dit bereiken we door actief in te zetten op het leren stellen van vragen, het geven van en het vragen om feedback en het stimuleren van keuzes maken op basis van feedback.

Het stagedossier is één van de ondersteunende middelen in dit leerproces. Door de informatie uit het stagedossier te koppelen aan de bekwaamheidsgebieden, kunnen studenten hun ontwikkeling gericht sturen, samen met hun begeleiders.

Wetenschap in de educatieve praktijk | begeleide stage

Tijdens begeleide stage 2 volg je op je opleiding de cursus ‘Wetenschap in de educatieve praktijk’. In deze cursus vertaal je actuele wetenschappelijke inzichten naar een zelfgekozen educatieve onderwijspraktijk. Je kunt deze opdracht koppelen aan je stage: iets wat we vanuit Passie voor Leren absoluut stimuleren, vanuit het belang van een onderzoekende houding en onderzoekend handelen.

Kun je aansluiten bij een thema dat speelt op jouw stageschool? Of is er een mogelijkheid om aan het einde van de cursus jouw kennis op school te delen? Overleg met de onderzoekscoördinator van je stageschool over de mogelijkheden. Weet je niet wie dat is? Neem dan contact op met je schoolopleider of instituutsopleider.

Masterscriptie | zelfstandige stage

Inhoud
Tijdens het zelfstandige deel van de tweejarige master werk je aan je masterscriptie. Die geeft inzicht in de relatie tussen wetenschappelijk vakinhoudelijk onderzoek en vakdidactiek en/of de educatieve praktijk. Het doel is een bijdrage leveren aan de wetenschappelijke discussie over onderwijs van het eigen vakgebied. Je scriptie heeft een educatieve component die op verschillende manieren in te vullen is. Zo kan (een deel van) je onderzoek op je stageschool plaatsvinden, maar ook daarbuiten. De mate waarin een praktijkcomponent aanwezig is in de scriptie verschilt per student.

Start
Op het opleidingsinstituut volg je bijeenkomsten als voorbereiding op je masterscriptie. Als bekend is wie jou gaat begeleiden vanuit het instituut, neem je zelf contact op met de onderzoekscoördinator van je stageschool. Met diegene overleg je over het plan voor je scriptie stem je een persoonlijk begeleidingstraject af. Vakdidactische en praktische zaken overleg je met collega’s binnen je sectie.

Weet je niet wie de onderzoekscoördinator bij jou op school is? Neem dan contact op met je schoolopleider of instituutsopleider.

Afsluiting
Aan het einde van het schooljaar deel je je masterscriptie op je stageschool met medestudenten, collega’s en andere geïnteresseerden. Je geeft een presentatie waarin je iets vertelt over het onderzoeksproces en de belangrijkste opbrengsten. Deze presentatie wordt niet beoordeeld. Daarnaast lever je je complete masterscriptie in op Brightspace. Via het opleidingsinstituut hoor je hoe deze wordt beoordeeld.

Onderzoekend leren
Binnen Passie voor Leren vinden we het belangrijk dat onderzoekend leren is ingebed in de dagelijkse praktijk van de leraar, en vooral gericht is op de eigen professionele ontwikkeling. Daarom stimuleren we het onderzoekend vermogen van (aanstaande) leraren op drie niveaus:

  1. Het ontwikkelen van een onderzoekende houding
  2. Het ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden en onderzoekend handelen
  3. Het doen van praktijkonderzoek of empirisch onderzoek

Doelen onderzoekend leren

  • Het versterken van de onderzoekende houding en het onderzoekend vermogen. Onder onderzoekend vermogen verstaan we onderzoeksvaardigheden en kennis over onderzoek om op basis van literatuur en data uit de praktijk vragen te kunnen stellen en beantwoorden.
  • Het vergroten van kennis over een pedagogisch, didactisch of vakdidactisch onderwerp dat relevant is voor de eigen professionele ontwikkeling tot startbekwame leraar.
  • Het vergroten van reflectievermogen op het eigen handelen als startbekwame leraar.

Koppelen van theorie en praktijk
Met hun masterscriptie leveren studenten een bijdrage aan de wetenschappelijke discussie over educatie van het eigen vakgebied. Ze doen onderzoek naar een educatief onderwerp gerelateerd aan het eigen vakgebied, en koppelen daarbij de theorie aan de praktijk. Die koppeling kan op verschillende manieren tot stand komen:

  1. De scriptie beantwoordt een vakdidactische onderzoeksvraag. Deze vragen hebben meestal betrekking op het curriculum van het schoolvak, het vakspecifiek denken, de vakspecifieke instructie of de professionalisering van vakdocenten.
  2. De scriptie stelt een vakwetenschappelijke vraag aan een educatief georiënteerd object van onderzoek. Denk aan een ideologiekritische benadering van schoolboekteksten, een discoursanalyse van klassengesprekken, of een linguïstische analyse van leerlingteksten. In de discussie wordt beschreven welke gevolgen de bevindingen van de student hebben voor het onderwijsveld, en wat de eigen rol daarin in.

Vakdidactiek als schakel tussen inhoud en educatie
Binnen de tweejarige educatieve master leggen we de focus op vakdidactiek als schakel tussen vakinhoud en educatie. Hiermee sluiten we aan bij de aanbevelingen van de QANU in haar State of the Art-rapport voor universitaire lerarenopleidingen. Ook garandeert de onderzoekswijze een bewijs van academische bekwaamheid op masterniveau, op het vlak van vakinhoudelijke expertise van de student. In de scriptie komen alle vakinhoudelijke eindkwalificaties van de opleiding aan bod.

Meerwaarde door dialoog
In onze ogen ontstaat meerwaarde door het gesprek van de student over zijn onderzoek met het eigen team of de sectie. De dialoog over het onderzoek in het dagelijkse proces binnen de school wordt dan ook actief ondersteund: het is de bedoeling dat de student sectiegenoten of andere betrokkenen actief om input of feed vraagt. De onderzoeksbegeleider informeert naar deze activiteiten, en/of stimuleert de student om actie te ondernemen.

Beoordelingen
Tijdens je stage zijn er meerdere beoordelingsmomenten: aan het einde van begeleide stage 1, begeleide stage 2, zelfstandige stage 1 en zelfstandige stage 2. In een presentatie voor je werkplekbegeleider en de schoolopleider laat je via je leergeschiedenis zien hoe je gewerkt hebt aan je leervragen. Na jouw presentatie stellen je begeleiders verdiepende vragen. De beoordelingsmomenten duren ieder ongeveer 45 minuten, waarvan je 10 tot 15 minuten invult met jouw presentatie. Je neemt zelf actief de regie in het plannen van de momenten. In de stagewijzer vind je de deadlines.

Voorbereiding
Je bereidt je voor op de beoordelingen door het ontwerpen van je leergeschiedenis, vanaf begeleide stage 1 tot en met zelfstandige stage 2. Per evaluatiemoment kies je 3 tot 5 cruciale leermomenten uit de afgelopen periode. Dat kunnen zowel mislukkingen als glorieuze momenten zijn. Aan de hand van deze leermomenten laat je zien hoe je je ontwikkeld hebt en welke toekomstige doelen je voor jezelf stelt op korte en lange termijn. Zowel de leermomenten als de leerdoelen, koppel je aan de kernpraktijken. Geef ook aan welke rol de beroepsproducten spelen, hebben gespeeld of gaan spelen in je ontwikkeling.

Het structureren, ordenen, prioriteren en analyseren van jouw leergeschiedenis geeft je houvast om te kijken naar de toekomst. En om na te denken over jouw professionele identiteit: wie wil jij zijn als docent? Daar is geen vast format voor: jouw ontwikkeling is uniek en alleen van jou. Het ontwerpen van een leergeschiedenis kan dan ook op verschillende manieren, bij voorkeur digitaal. Padlet is een voorbeeld van een handige digitale tool.

Als extra voorbereiding kun je zelf het beoordelingsformulier invullen, over jezelf. Het is interessant om jouw blik op een later moment te vergelijken met de bevindingen van jouw begeleiders. In een gesprek kun je de verschillen bekijken en beelden bij de beoordelingscriteria uitwisselen.

Beoordelingsprocedure
Twee weken voor het beoordelingsmoment ontvangt jouw werkplekbegeleider een mail via informatiesysteem Osiris, met informatie over de procedure. Vóór elke beoordeling vult jouw werkplekbegeleider een concept beoordelingsformulier in. Na jouw presentatie en het daaropvolgende gesprek vullen je beoordelaars dit formulier samen aan, en krijg je een resultaat: onder, op of boven niveau. De werkplekbegeleider uploadt de beoordeling in Osiris, waarna de schoolopleider een check doet. Tot slot controleert de instituutsopleider of het beoordelingsformulier technisch goed is ingevuld en of de beoordeling matcht met het beeld dat blijkt uit je stagedossier.

Is het eindoordeel onder niveau? Dan heb je wat langer de tijd nodig om jezelf te ontwikkelen. Neem in dat geval contact op met je instituutsbegeleider. Samen met je werkplekbegeleider en de schoolopleider bepalen jullie de vervolgstappen.

Vervolg
Na elk beoordelingsgesprek schrijf je een (kort) gespreksverslag. Geef hierin aan:

  • welke inzichten je meeneemt uit het gesprek;
  • welke afspraken er zijn gemaakt over de begeleiding;
  • aan welke beoordelingscriteria je gaat werken.

 

Evaluatie werkplekleren
Wij vinden het belangrijk om ons werkplekcurriculum systematisch te verbeteren. En jouw mening telt! Via een geanonimiseerde vragenlijst en een groepsgesprek horen we graag hoe jij het werkplekleren hebt ervaren. Van je schoolopleider ontvang je een uitnodiging voor het centrale evaluatiemoment aan het einde van jouw stage.

Uiteraard hoef je niet te wachten tot deze bijeenkomst. Als je eerder jouw feedback wil delen, neem dan contact op met jouw werkplekbegeleider, schoolopleider of instituutsopleider.

Stop je vroegtijdig met je stage? Dan vindt een afsluitend gesprek plaats met je werkplekbegeleider, schoolopleider en instituutsopleider. In dit gesprek kun je feedback geven op het werkplekleren en krijg je de mogelijkheid om de vragenlijst in te vullen.